Roger Rutten

De officiële website

Lezing Juli 2015


Geacht publiek,

Geachte burgemeester,

Geachte Heer Vital Craeninckx,

Als er op het einde van de oorlog geen twee keer door de nazi’s was toegeslagen in Meensel-Kiezegem dan had het daar waarschijnlijk na 1945 als volgt geklonken:
 ‘In Meensel-Kiezegem is er toch eigenlijk niet veel gebeurd in ’40-’45.’


Een zelfde teneur kon ik vaststellen naar aanleiding van de oorlogsgeschiedenis in mijn geboortedorp toen ik mijn eerste boek ‘Wit en Zwart’ schreef. Ook daar leek niet veel te zijn gebeurd. Na het verschijnen van ‘Wit en Zwart’ klonk het echter ‘Verdorie, in Zonhoven is er toch veel gebeurd tijdens die Tweede Wereldoorlog.’ Vanwaar die eigenaardige perceptie?

 

Na de oorlog moest volgens Jean Dubois, een overlevende van het concentratiekamp Mauthausen en hoofdpersonage in mijn tweede boek ‘Van Genk tot Mauthausen’, de wereld geloven in vrede. De zwarte jaren moesten worden vergeten.

Vergeten dat die gehate Pruisen vanaf 1914 de welvaart in ons land zo drastisch naar beneden haalden dat België in 1918 van de zesde naar de zesentwintigste plaats op de wereldranglijst tuimelde .

 

Vergeten de chaos tijdens het interbellum en de moeizame opbouw.

Vergeten de overhaaste vlucht tijdens het begin van de Blitzkrieg en de vele vernederende, tergende oorlogsverordeningen: ‘Van dit mag niet meer en dat niet meer.’ En vooral die gehate maatregel in oktober 1942 waarbij onze jongens als moderne slaven verplicht naar Hitlers duizendjarig rijk werden afgevoerd.

 

Vergeten een nationaalsocialistische ideologie waarbij Hitlerfanaten mensen die hen niet zinden als Untermenschen behandelden en hen naar concentratiekampen stuurden of koudweg liquideerden. Vergeten al die miserie. En als we sommigen mogen geloven had al die miserie, en hier keren we terug naar Meensel-Kiezegem, aldaar niet plaatsgevonden als de Weerstand zijn verstand had gebruikt. Indien de partizaan (Vranckx) die collaborateur (Merckx) niet had neergeschoten, zou volgens hen plaatselijk oorlogsleed zijn vermeden.

 

Toen ik mijn derde boek ‘Oorlog en Zwijgen’ schreef, waarbij kinderen van zwaar beproefde verzetsfamilies aan het woord kwamen, stelde Laurent Marting een tegenvraag aan wie met vragen worstelde over de rechtmatigheid van de vele liquidaties door partizanen in het Limburgse. Bij hem klonk het ‘Hadden ze die zwarten dan maar moeten laten doen?’ Laurents vader, was één van de 24 partizanen die op één dag, 11 april 1944, werden terechtgesteld. Ook Laurent Martings moeder en zijn oom Joseph werden door de nazi’s vermoord. Ondanks alle gemis en verdriet bleef Laurent achter het verzetsoptreden van zijn vader staan.

 

De beklijvende vraag of ze zwarten als Robert Verbelen, Bachot en anderen van het gevreesde SS-Veiligheidskorps hun gang maar hadden moeten laten gaan, behoeft geen antwoord.

 

In mijn laatste boek ‘De nazirazzia van 25 mei 1943 ontmoeten we dat hoofdpersonage Verbelen uit het drama in Meensel-Kiezegem als kille uitvoerder van een doodseskader.

Even situeren: in Sint-Truiden lag een SS-Wachtbrigade met als opdracht het vliegveld in het naburige Brustem beveiligen. Het was daar onrustig in de omgeving van Sint-Truiden - Brustem en dus moest een voorbeeld worden gesteld.

Voorbeelden stellen

Belgische gerechtsmiddens werden gewantrouwd door de collaboratie. Ze zouden in hun justitieel midden te tolerant of te laks optreden tegen het verzet. En dus diende er een signaal te worden gegeven. Slachtoffer werd vrederechter Jean Pierre Frère. Hij zal ervaren wat het betekent indien terreur het ultieme wapen vormt om weerspannigheid de kop in te drukken.

In de nacht van 12 op 13 juli 1944 vertrokken vijf mannen vanuit de SS-Dienststelle te Sint-Truiden, onder hen Robert Verbelen. Korte tijd later kwamen zij aan bij de villa van vrederechter Jean Pierre Frère in Bokrijk. Rond middernacht werd aan de deur van de villa geklopt. De vrederechter dacht dat zijn buurman hem, zoals naar gewoonte, kwam wekken voor luchtgevaar. Op zijn vraag wat er gaande was, kwam er enkel een bevel ‘Polizi, Aufmachen!’ Twee mannen met machinegeweren zegden aan Margot, de vrouw van de rechter, dat ze een huiszoeking moesten doen. Toen de vrederechter de mannen vroeg zich te legitimeren, begon een van hen laden en kasten te onderzoeken. De vrouw van de rechter moest mee naar boven met de tweede man, waarna onmiddellijk schoten vielen. Margot vond haar man aan zijn bureau met drie kogels doorzeefd, twee in het hart en een in de longstreek.

Mannen als Robert Verbelen, Julian Van Dooren, Basile Michiels, De Meyer en Morael beperkten zich niet tot individuele afrekeningen. Daarom even wat meer over razzia’s als vorm van collectieve bestraffing

 

Razzia’s als collectieve bestraffing.

Razzia’s hadden in hun terreuropzet als eerste functie een collectieve (doods-)klap toe te dienen aan het lokale verzet. Van 16 tot 18 juni 1942 kende mijn huidige woonplaats Genk een terreurklimaat. Op 30 augustus 1942 vond in Tienen een razzia plaats. Op 15 november 1942 kwam Leuven aan de beurt, 25 februari ’43 Dendermonde, 30 april 1943 Oostende. Een concreet voorbeeld van wat zo een razzia voorstelt, vormt volgende korte impressie omtrent een razzia in Nieuwerkerken bij St.-Truiden.

 

Op 31 augustus 1947 beschreef Het Belang van Limburg dit razziagebeuren als volgt. ‘In stilte werden de verdachte huizen omsingeld. Door geroep, geschreeuw en geweerschoten werden de rustig slapende bewoners opgeschrikt. De deuren werden met woest geweld geopend en met bloeddorstige woede drong een bende nazi honden de woningen binnen. Alle personen werden verhoord, alle meubelen opengebroken. Alles werd doorzocht. Twintig personen werden half gekleed en sommigen met koorden gebonden aangehouden en in camions geduwd, terwijl Jozef Nijns in zijn woning neer gekogeld en dood achtergelaten werd.’

 

Razzia’s vormen een triest hoogtepunt in een terreurklimaat. Terreur die zoals bij het huidige IS een bevolkingsgroep zonder democratische legitimiteit door afschrikking in een machtspositie plaatst.

Besluiten willen we met een bedenking over het onverwerkt verleden in ons land.

 

Onverwerkt verleden.

Na de oorlog was en is de Belgische overheid geobsedeerd om eindelijk de waarheid te kennen over De Bende van Nijvel. Men wil een duister hoofdstuk uit onze geschiedenis afsluiten.

 

Minder begrijpelijk blijkt het gebrek aan animo en zelfs de aversie om de waarheid over dat andere duistere hoofdstuk, het hele criminele collaboratiegebeuren, in ons land te kennen.

Zo ontkwamen vele betrokkenen bij nazi geweld na de Tweede Wereldoorlog. Onder hen Robert Verbelen, centrale figuur in het drama van Meensel-Kiezegem. Zeven jaar stelt hij zijn diensten ter beschikking van de C.I.A. Over het naoorlogs reilen en zeilen van daders als de gebroeders Merckx weten we weinig of niets.

 

Van de 405.067 strafdossiers leiden er slechts 53 000 tot een effectieve straf.

Vele verongelijkten wentelen zich in een cocon van frustratie. Het kankergezwel dat nationalisme heet, blijft volgens Europa’s meest invloedrijke politicus Wolfgang Schäuble, levensgroot overeind.

Erfgenamen van het nationalisme beweren nog steeds dat de Belgische overheid overdreef in zijn repressieaanpak en als we niet opletten, krijgen we een bevestiging van datgene wat we bij de aanvang van deze lezing stelden. Namelijk dat er tijdens WO II toch niet zoveel met een misdadig gehalte was gebeurd. Afsluiten dus dit hoofdstuk.

 

Toch resten voor wat het razziagebeuren betreft nog heel wat vragen.

Wie verklikte? Wie stelde de lijsten van op te pakken burgers op? Wie hielp als collaborateur om woningen van verdachten aan te duiden. Wie paste bruut geweld toe? Vragen en nogmaals vragen. Hoogste tijd om eindelijk archieven te openen en historici hun plicht te laten doen en een onaangename waarheid bloot te leggen, want volgens onze huidige paus Franciscus is het ontkennen van het kwaad als het bloeden van een wonde.

 

Er is duidelijk wel wat gebeurd tijdens WO II en er moet nog veel gebeuren. Daarom zullen Babi Jahr, Oradour en Meensel-Kiezegem `maan-tekens′, bakens, blijven om ons aan een democratische plicht tot waarheidsvergaring te herinneren.